Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

177

vrouw was nogal streng Katholiek; doch — en dat was in zijn voordeel — nogal aan den gemoedelijken kant De kinderen? Romanie was een zure krent en Bertha „'nen geestig zot jonk". Hij zag er zwaar tegen op, om daar naar toe te gaan en dan met de menschen, met Bertha vooral, over 't Evangelie te spreken.

Mong echter hield maar steeds aan; smeekte hem zelfs om het doen. Doch het scheen wel, dat, hoe krachtiger de knecht er op aan drong, hoe meer de baas er tegen op zag.

„A wa, baasl durf je gij niet ik durven ikl 't Is voor heur ziele 1 En ga je gij niet g* en zult mij dan niet tegenhouden van te gane!"

Doch de baas wilde hem daarvan beslist tegenhouden, en nu was er dus geen andere weg, dan zelf te gaan.

„Mong! ik ga gaan naar Bertha!" zei eindelijk de baas met de hem eigen cordaatheid.

„Den Heere zal 't u loonen, baas, als gij gaat en ik ga voor u bidden!"

Vermeule belde bij Lariviere aan, en de vrouw deed hem open.

„Excuseere, Madam I dat ik u meuglijk derangeere; maar 1c hadde gehoord, dat Bertha ook de ziekte hadde, en 'k hebbe, lijk gij weet ook zelf de ziekte gehad, — zoo, ik was te wege, te zien, hoe 't met Bertha en u allegaar ging. Als 't u niet en derangeert "

„Komt binnen, meneere Vermeule! 't doet mij pleizier, dat ge komt! Eh wel, dat gij zoo vriendelijk zijt, van naar mijn dochtertje te vragen!"

Vermeule werd binnengeleid, en bij 't ledikant van Bertha gebracht 't Meisje scheen erg in haar schik te zijn met dit bezoek. Met dat ze Vermeule zag, begonnen haar levendige oogen te glanzen.

„Had datte gepeisd! Baas Vermeule! 'k hebben in lange u niet gezien! Wel a wel, dat ge zoo vriendelijk zijt!"

Hij gaf haar de hand en vroeg, hoe 't met haar was.

De Vlaamsche spitsbroeders 12

Sluiten