Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

184

wat hij beleefd had. En 't wazige in 't gelaat van Bertha maakte hem bezorgd, en hij sprak dit uit

„Z' en gaat niet oud worden zij, peizen ik!"

Of ze dan zoo erg ziek was, vroeg Mong.

„Ba neen z'; ze gaat met korten genezen zijn van de ziekte; maar ik vreeze, dat zij niet oud en wordt! 'k En kan 't u niet juist uiteendoen, 't Is maar, dat heur wezen mij niet aanstaat I"

Toen de baas verteld had over welk een hoeveelheid traktaatjes Bertha beschikte, had Edmond het willen zeggen, hoe ze — naar zijn vermoeden — daar aan was gekomen, doch omdat hij vreesde, dat de baas hem er over zou berispen, dat hij niet beter voor zijn dingen zorgde — want de baas was zoo stipt op orde en regel — zweeg hij er over. En de baas scheen er niets bijzonders in te zien, dat iemand zóóveel traktaatjes in zijn bezit had. De man, die 's Zondags vóór den ingang der kerk stond, om vreemdelingen binnen te noodigen en voorbijgangers een traktaatje aan te bieden, — deze man had eens tot Vermeule gezegd: Kijkt een keer naar diene mam'sell En hij had gekeken. De dame liep naast een heer, doch ging opzettelijk, met de hand op den rug, dicht langs den man, die behendig, zonder dat de heer het merkte, een traktaatje in haar hand stopte. Zoo kreeg ze iederen Zondag een traktaatje. „Ik hebbe mijn vaste kalanten — had de man gezegd — en dicht bij Vermeule's oor komende, fluisterde hij: „en één er van is een nonne." Die kwam ook steeds, soms in gezelschap van een anderen geestelijke, dicht langs hem met de eene hand op den rug, om er een traktaatje in te ontvangen.

Vermeule dacht dus aan niets bijzonders en Edmond liet het zoo. Hij was blijde, dat Bertha — „met heur herte al: bijkans aan 't Evangelie" was. En zijn bidden voor haar werd nu meteen danken.

Sluiten