Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

196

in den tuin — of er moest eerst naar den wind gezien worden, en — liefst ook naar 't zonnetje. Zij had minder hoop op herstelling dan hare ouders; maar dat stemde haar niet tot weemoed. Ze wist nu al te goed, dat het leven wél begon met de geboorte maar niet eindigde op 't sterfbed.

Haar wereldsche levenslust had een gevoeligen knak gekregen met de ontpopping van Charles' slecht karakter. Zij was zich gaan voelen als een bloemstronk, die nog alleen bladeren droeg, en waar alle bloemen en knoppen waren afgerukt: en geen bloeiknop zou zich meer vertoonen. De energie van haar leven zag ze gebluscht, en haar geestigheid kreeg een bitteren smaak.

Maar dan was haar oog het hooger gaan zoeken. Hooger — en terstond over de Roomsche kerk heen. Want van allen, die ze nu had leeren kennen, had niemand haar door den levenswandel naar de kerk getrokken, niemand, dan — Nannette 1

Maar — al waren al hare kennissen Nannettes geweest — dan nog zou ze 't hooger gezocht hebben. Want Nannette was fanatiek: dat wist Bertha al lang, maar 't was 't allerduidelijkst gebleken met „het kader". Eerst waren de woorden: „Wat Hij (Christus) u zeggen zal, doet dat!" schoon geweest en waar, als woorden uit het H. Schrift; maar toen ze wist, dat het kader van een Geus kwam, moest het weg, en gesmaad. Dat was geen liefde tot de waarheid, en kon niet uit ware Godvruchtigheid komen.

Haar vader — o, ze hield zoo veel van hem als haar vader; maar dat belette haar niet, om hem als mensch te bezien [zooals hij was — haar vader was ook fanatiek, precies als Nannette. Zij wist hoe afkeerig hij was van alle Godsdienst, hoewel hij dien afkeer verborg; en dat maakte, dat hij alles, wat van de kerk — of zooals hij het noemde, van het Clericalisme, uitging, diep verachtte: al wat de Roomschen deden, was slecht Ze had wel eens gemeend, dat ze 't meest de overtuiging van haar vader deelde; maar dat fanatisme van hem stond haar evenzeer

Sluiten