Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

199

„Z'en klappen over niet anders." Doch 't was maar arm in hun kerken, en de meeste menschen die er gingen, waren ook maar arm.

Bertha had steeds geluisterd, en wat ze hoorde, in haar hart bewaard en overlegd. En hoe meer ze nadacht, hoe meer het haar bekoorde, wat ze nu van de Qeuzen en ketters wist Want dat heele groote leger van geestelijke hoogmachten zag ze gaandeweg slinken. En hoe meer van die machten ze zag verdwijnen, hoe rustiger zij zich begon te voelen.

En daar eindelijk had haar iemand een traktaatje, een boekje in de handen gestopt dat tot titel had: „De Heilige, Katholieke, Christelijke Kerk is nóch heilig, nóch Katholiek, nóch Christelijk."

Maar toen ze dat gelezen had, was het geweldig in haar beginnen te rumoeren. Toen had ze de oude wereld in puin zien vallen, en — in dat alles-onderst-boven van hetgeen voor haar een vijandelijkheid was, had ze zich behaaglijk gevoeld.

Behaaglijk in de woeling en wenteling van 't vergaan harer geestelijke wereld 1 t Was in de dagen, dat Charles, wien ze allang niet meer vertrouwde, zich ontpopte, en niets dan schande achterlatend, de vlucht naar Frankrijk had genomen. Had ze meteen de werkelijke wereld zien vergaan, en zijzelf daarin mede ondergaande, 't ware haar nog veel behaaglijker geweest.

En dan was zotte Manda komen vragen om een boterham, juist toen Bertha met Moeder en Romanie aan de ontbijttafel had gezeten.

„A la bonheur!" had Bertha, die niet kón, maar van moeder móest eten, gezegd en haar twee lekkere boterhammen naar 't ongelukkige meisje gedragen. En Manda had daarvoor uit dankbaarheid een mooi geel boekje onder haar jak vandaan gehaald en aan Bertha geschonken, die 't terstond in den zak had gemoffeld als verboden waar.

Dat gele boekje was het traktaatje „Een portret van

Sluiten