Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

206

meute schoorvoetend achter bleef, in de hoop iemand op den weg te ontmoeten. Maar nu verloor hij den colporteur uit het oog, want op den breeden zandweg kwamen hier en daar smalle zijwegjes uit, waarlangs ook weer huizen stonden. Vermeule had daarom wat harder aangestapt, in de meening, dat de ander hem ver vooruit was. Zoodoende kwam hij het drukst bewoonde gedeelte voorbij en stond eindelijk voor een eenzaam boerderijtje. Alleen om te weten, of De Vries hier reeds geweest was of niet, ging hij het hek door, en meteen kwam een man uit de woning. „Wat moetje gij hier?"

„A wel, ik zou u 'nen boek willen verkoopen. Kijkt een keert den dezen verkoop ik aan tien cings en den dezen aan een halven franc, 't Is 't Heilig Schrift!"

De man, nog vijf, zes treden van den nieuwbakken Bijbelkoopman verwijderd, zei:

„En gaat niet verder, gij!"

Vermeule bleef staan, en de man vroeg nu:

„Kunje gij tooveren?"

„Ba neen ik! J'en peist doch niet dat ik 'nen toovenare zij!"

„En waarvan en zou je gij geenen toovenare zijn? Geloof je gij aan tooveren?"

„Ba neen, Tc gelooven ik aan geen tooveren!"

„Geloofje gij aan den kwade?"

Ja 'k, 't is den kwade, die ons verblindt, dat we de Waarheid van 't Heilig Schrift niet en zouden kennen 1"

„Alzoo, gij gelooft dat er den kwade is! — 't Is welt Ik ben content! 'k Verzoeken u, mijn hoving te verlaten!"

Wat dit alles te beteekenen had, begreep Vermeule niet en bleef nog wat staan. Maar de man nam een dreigende houding aan en zei driftig:

„Hebje gij 't verstaan? Gaat van mijn hoving, subiet! Tc En komen ik hiere geen toovenaars te kort!" ')

Nu ging, achterwaarts, Vermeule terug, en was blij, dat hij weer op den vrijen weg was. Rondziende bemerkte hij

>) Ik heb hier geen toovenaars noodig.

Sluiten