Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

215

zijn ambacht uitvoerde. Terwijl Vermeule hier voorbij slenterde, wachtend op zijn makker, kwam een jong man de deur uit, en vroeg:

„Verkoop je gij boeken?"

Ja 'kl"

De jonge man kwam op den weg. „Watte boeken zijn 't?"

„'t Heilig Schrift! kijkt een keer: den dezen aan tien cings en den dezen aan 'nen halven franc!"

„A wa, koopman! de boeken zijn, bestkoop genoeg; maar 'k en moete geen Heilig Schrift hebben, 'k En houde niet aan Christlijke boeken!"

„Aan welke boeken houde gij dan?"

„'k Zou willen 'nen geestigen boek koopen: van Uilenspiegel of-te-wel van Schinder-Hannes, of zoo entwat!"

Vermeule deed zijn uiterste best, om hem aan het verstand te brengen, dat hij veel beter deed, 't Heilig Schrift te koopen; doch hoe hij ook al zijn wijsheid en welbespraaktheid aanwendde, het baatte hem niet, en de jonge man wilde weer heengaan.

Maar dan naderde De Vries, en de jonge man hoopte bij hem klaar te komen.

„Koopman! 'k zou willen 'nen geestigen boek koopen: van Uilenspiegel, of-te-wel van Schinder-Hannes, of van verkeersels *•) of zoo entwat!"

De Vries kneep even zijn oogen toe. Uilenspiegel — dien kende hij; hij had het boek in zijn jeugd gelezen; Schinder-Hannes, wacht even, daar had hij in de Noordelijkste Provinciën van Nederland van gehoord: Oude menschen hadden hem wel van Schinder-Hannes verteld, en met de komst van Schinder-Hannes hadden moeders hun kinderen bedreigd, als ze niet goedschiks wilden gehoorzamen. Hier dus kende men ook Schinder-Hannes.

„Ei zoo, ge zoudt een boek van Uilenspiegel of van Schinder-Hannes willen hebben. Ik heb een boek met vele verhalen, verhalen van reuzen, van oorlogshelden, van

J) spooken.

Sluiten