Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

220

Eindelijk kwam er een nieuwe predikant Vooraf was hij er eens een Zondag geweest en had er tweemaal dienst gedaan. Hij had zulk een goeden indruk gemaakt, dat ze allen hem als predikant begeerden. En de predikant had met blijdschap de roeping aanvaard.

Nu was hij er. Vermeule en een paar broeders hadden hem en zijn gezin van de statie gehaald. Mong hielp mee aan 't overbrengen en plaatsen van de meubels. Reeds den eersten dag waren de predikant en zijn vrouw dikke vrienden met den geestigen, vroolijken kerel. Hij hielp mee tot alles op orde was, waarmee eenige dagen verliepen. Want omdat niemand de menschen hier kon verstaan, liet men Mong naar de deur gaan. Toen echter alles op orde was, trok de knecht weer naar de werkplaats.

En nu begon het verdriet voor 't nieuwe predikantsgezin. Was dat Vlaamsen ook een taal! Je kon bijna geen mensch verstaan.

En de dominee kreeg den eersten Zondag al een vermaning van Vermeule, omdat hij zulk een leelijk woord had gezegd in 't sermoen, 't Was wel een goed Nederlandsch woord, van onbesproken zede, maar — „meneire dominee hadde den ie lange moeten aanhouden, 't ware dan een goe woord geweest; maar hij hield den ie van 't woord te kort aan, en nu was 't 'nen vuul woord, dat in 'nen sermoen niet gezeid mochte zijn."

En 's avonds was er weer een andere belachelijkheid voor den dag gekomen, omdat de predikant het Vlaamsch niet kende.

Hij zag het zóó moeielijk in, dat hij Mong te hulp riep. En deze was, door zijn omgang met den Bijbelcolporteur, de beste hulp. „Awel, meneere dominee 1 we gaan mekare helpen 1" Hij hielp den predikant door hem het Vlaamsch van hier te onderwijzen en de predikant begon, met hem te leeren, wat hij als Bijbelcolporteur noodig behoorde te weten. Eerst ging dat maar zóo, zoo, om op gang te

Sluiten