Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

225

En wat was daar veel moois in! En al dat blinkend mooi was hier verstopt Wonder Holland! In zijn tand zetten ze al 't mooi zóó, dat ieder het terstond kon zien.

,'t Is al curieus, curieus 1"

Tegen den avond zou hij met madams vader, Verschoor, de stad eens in. De man kon hem soms niet goed verstaan, en dan probeerde de Vlaming HollanrJsch te klappen, maar Verschoor vond dat geen „schoon Vlaamsch** als Mong bijv. zei:

„Ik eeft dat alzoo gedenkt!"

Hij kon er maar niet over uit dat hij hier zoo veel sigarenwinkels en zoo weinig herbergen zag.

„'k En hebbe nog geenen zatterik gezien hfere!*

Verschoor begreep niet wat een zatterik was.

„A wel! venten of wijven, die tevele druppels of pinten gepakt hen!"

Verschoor Wist het nóg niet.

„Gij naamt dat hiere „droenkoards" den dien, die tevele bier of zjeniever zupen!"

Nu werd het begrepen.

„A wel, en zijn d'r hier geen danskoten?'

Mong kon zich maar geen begrip van de Hollanders vermen. Zelfs in straten, waar het vol menschen liep kon je ternauwernood hooren, dat er gesproken werd.

„Ten onzen maken vijf menschen meer laweft ")als hiere honderd!"

Toen ze een uurtje later een „soclalisfen-betooging" ontmoetten, kon Mong zijn verbazing niet inhouden.

„'t Gelijkt wel een begravinge!"

,'t Gelijken wel allegaar paters en nonnen, die in de processie gaan!"

Dan moest je „ten onzen" komen! Men kon vast hier en daar op een straatgevecht met „Clerikale" tegerrbetoogers rekenen, vooral in de nabijheid van herbergen waar de betoogers door anders-denkenden met knuppels steenen en leege bieiflesschen opgewacht werden, 't Slöt

') lawaai.

De Vlaamsche spitsbroeders 15

Sluiten