Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

231

.Luistert, meneere! hoe ik 't versta. De menschen zijn Protestantsch lijk de Roomschen Roomsch zijn, en ze doen allegaar lijk ze geleerd en gewend zijn, en ze doen daarmee heuren plicht: ze gaan ter kerke en 't is daarmee wél. En den predikant preekt, tijk hij geleerd en gewend is, en hij doet daarmee ook zijnen plicht, en 't is daarmee ook wél. En daarmee hebben z' er allegaar heuren pleisier van, dat ze heuren plicht doen, en dat het zoo wél is; en ze laten 't zoo. 't Is voor heur 'ne verdienende penitentie, en 'nen goê werk. Voila!"

De Vries snapte den Vlaming wel, en om te voorkomen, dat Mong niet met zulk een minder aangenamen indruk naar zijn land en volk zou terugkeeren, bracht hij hem 's avonds naar een Evangelisatie-gebouw, waar de deuren open stonden en een man buiten wandelde, om de menschen aan te moedigen, naar binnen te gaan of de voorbijgaanden een traktaatje aan te bieden.

„Hier gaat het goed zijn, wei!"

Werkelijk beviel het hem hier best Bidden, spreken, danken, alles was kort, eenvoudig, duidelijk, pakkend, warm en „allegaar naar 't Heilig Schrift." Dit sermoen zou hij „heelegansch" aan zijn baas en bazinne meedeelen. „'t Was pertank schoone!" De Vries kende zijn klantje: toen ze weer buiten waren, zei hij:

„Dit was beter dan van morgen, nietwaar, Mong?"

„A wa! als ik hier in de stad mijn woonst hadde, 'k zou aan deze kerke willen (be)hooren!"

Dat dit in 't geheel geen kerk was, eigenlijk buiten alle kerk stond, en dat hij dus daartoe nooit zou kunnen beboeren, vermoedde hij niet, en De Vries liet het maar zoo: hij was blij, dat de Vlaming voldaan was.

Den volgenden dag trokken De Vries en zijn gezin met Edmond verder het Noorden in naar zijn ouders. Overal en altijd was er voor den Vlaming iets nieuws, dat zijn opmerkzaamheid bijzonder trok.

„'k En hebbe in 't heele land nog geen bidkapelletje

Sluiten