Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

240

„Luistert, meneere dominee! als Christus den blinde hadde ziende gemaakt, Zijn vianden zegden: W' en weten niet vanwaar Hij gekomen is. Maar den blinde zegde: A wa! en is datte niet curieus? G 'en weet niet vanwaar Christus gekomen is, en alevel heeft Hij mijn oogen geopend! — Zoo, meneere! 'k zeggen ik: A wa, en weetje gij niet vanwaar dat het H. Schrift is? Doch heeft het mijn oogen geopend, dat ik nu de waarheid kenne. En ik zou de menschen vragen: Weet je gij vanwaar de regen komt en de wind, en de groei? G' en weet het niet, én alevel leven we allegaar van 'tgeen, dat we nieten weten, vanwaar het komt 't Is God, Die 't leven is en Die al 't leven geeft voor 't lichaam en voor de ziele!"

De gemakkelijkheid, waarmee Mong dit alles beweerde, 't vuur dat dit beweren zoo warm maakte en de gebaren, die de woorden leven bijzetten, troffen den predikant En dan de zelfbewustheid der waarheid van 'tgeen hij zei, en de vastheid der overtuiging, die zijn woorden bezielden maakten het tot een genot om naar zijn kinderlijk eenvoudige woorden te luisteren. De predikant wist het goed, dat Mong wel los was vertrouwd. En hoe langer hoe meer vroeg hij zich ernstig af, of al wat hij Mong liet leeren, ooit eenige waarde voor hem zou hebben. Had men hem gevraagd, of zijn leerling als Bijbelcolporteur de Vlaamsche wereld kon ingezonden worden, dan zou hij met alle beslistheid een bevestigend antwoord hebben gegeven.

Nog altijd werkte Mong halve dagen met baas Vermeule samen: soms vóór, soms na den middag, al naar dat het 't geschiktst uitkwam; een enkelen keer heele dagen. De bazinne bleef maar immer even nieuwsgierig. Bijna eiken dag vroeg ze:

„A wa, Mong! en wat heeft den predikant u weeral geleerd?"

De knecht stootte haar nooit af, hoewel dat altijd herhalend vragen hem soms verveelde. Er was immers allicht iets in elke les, dat hij voor haar wel van eenig belang

Sluiten