Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXVUL

Mong was met den eersten trein op reis gegaan naar X. De baas had hem uitgeleide gedaan tot aan 't station. Mong was geheel onder den indruk van 't oogenbiik; de baas ook een weinig; maar niemand verkeerde in zulk een spanning als de bazinne. Ze at den heelen dag niet en soms stonden haar de tranen in de oogen. Vermeule lachte haar eens uit, en dan lachte ze wel terug; maar 't scheen haar zwaar te vallen.

Even [na den middag kwam de oudste dochter van Lariviere vragen, of baas Vermeule terstond wou komen, want Bertha was zoo slecht geworden.

„'k Ga subiet komen, Romanie, subiet 1" zei Vermeule, zeer geschokt door die plotselinge tijding. Haastig wierp hij zijn daagsche kleeding uit, en trok een netter pak aan.

„G' herkeert doch zeere?" zei zijn vrouw, die hem nu maar liefst bij zich had gehouden, omdat ze zoo aangedaan was, en hij beloofde, dat hij zoo spoedig mogelijk terug zou keeren.

Bertha had in de laatste dagen erge aanvallen van benauwdheden gehad, en herhaaldelijk gezegd, dat ze spoedig ging sterven. Moeder had haar gevraagd, of ze nog gaarne haar vriendinnen zou zien. Maar ze had het hoofd geschud en gezegd:

„Neen 'k, mal 't is al de wereld waarvan ze klappen en 'k hoore dat niet geernel"

Nannette dan!

Sluiten