Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

244

Voor een veertien dagen was Romanie bij Nannette geweest om te zeggen, dat Bertha haar nog gaarne eens bij zich had; doch het kantwerkstertje had heel bits geantwoord:

„'k Ben niet te wege van naar ketters te gaanl Dat Bertha heur vriendinnen zoeke bij de Geuzen I"

Vóór dien tijd had Nannette haar bezocht, en eerst had ze zich verblijd, dat Bertha veel „serieusder" was geworden; maar — Bertha had haar verteld, wat daarvan de grond was, en hoe gelukkig ze nu was, dat ze volkomen vrede had gevonden in Christus, en wist, dat ze uit enkel genade zalig was, en geen vrees had voor dood en „vagevier". Bertha had haar het N. Testament in handen gegeven, en toen ze er even had in gezien, had ze bemerkt, dat het een kettersch boek was. En toen was 't in eens uit: het boek had ze als een vies ding uit de handen geworpen en ze was dan boos heengegaan, zonder groet

Even later was Nannette tot inkeer gekomen, had gevoeld, dat ze vriendelijker had moeten zijn, doch meteen haar onvriendelijkheid vergoelijkt, omdat die voortkwam uit haar liefde tot de Heilige kerke, en dan had ze daarna „vele Wees Gegroeten en Onze Vaders gelezen," en Onze Lieve Vrouwe gesmeekt dat Bertha mocht terugkeeren van hare ketterije.

Bertha had diep medelijden met haar lieve vriendin gehad en haar begeerte neergelegd voor de voeten van haren Zaligmaker, dat Die mocht, als de Goede Herder, ook Nannette, dat dolende lam, opzoeken en in Zijn armen nemen.

Wie Bertha wel gaarne bij zich had? Baas Vermeule. Zij had er om gevraagd, of die nog eens mocht komen; want hij was nu in een heelen tijd niet geweest

Daar zat vader Lariviere achter. Hij hield wel van Vermeule; maar — 't liep zoo in 't oog, als die daar veel in huis kwam. Te meer, nu men hier en daar wel wist welk een verandering in zijn huis had plaatsgegrepen.

Sluiten