Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

248

't Laatste was weer vragend naar de ouders gericht en het antwoord volgde onmiddellijk:

„Ja w', ja w', Vermeule! We gaan al doen, 't geen Berthaatje geerne heeft, en als gij zoo goed wilt zijn..."

Bertha look haar oogen, terwijl heel haar gelaat van innige onuitsprekelijke blijdschap sprak, en of ze wilde zeggen: nu kan ik blijde sterven!

Allen zwegen nu. Vermeule zag, dat zijn eigen Nieuw Testament, dat hij daar bij een eerste bezoek had gelaten, geopend lag op het tafeltje, waarop de moeder met haar arm leunde. Hij zag dat het opengeslagen was bij Rom. 7 en 8, dat gedeelte, hetwelk hij bij zijn eerste bezoek hier had voorgelezen. Hij nam het boek in zijn handen en merkte duidelijk, dat deze bladzijden dikwijls waren gelezen. Hier en daar was een vers gemerkt met een dikke potloodstreep.

Bertha sloeg eindelijk weer haar oogen op en wenkte, glimlachend, naar Vermeule. Moeder verstond dezen wenk even goed als de baas, en gaf hem weer een zachten duw.

„Zoo, Bertha! — zei hij, haar lachend aanziende —we gaan een schoonen Psalm bij uw graf zingen. Luistert!

't Hijgend hert, der jacht ontkomen,

Schreeuwt niet sterker naar 't genot Van de frissche waterstroomen,

Dan mijn ziel verlaagt naar God.

Ja, mijn ziel dorst naar den Heer;

God des levens, ach, wanneer Zal ik nadren voor Uw oogen, In Uw huis Uw Naam verhoogen?"

Bertha glimlachte en zei, heel zacht:

„Schoone, schoone 1 Ja, 'k verlange....!"

Ze zei meer, doch niemand hoorde 't, en daarom kwam moeder heel dicht bij haar, en verstond:

,'k Ben dan bij Hem, daar! en ik ga 't hooren en meezingen"

Weder vielen haar oogen toe; en nu bewogen zich hare lippen, alsof ze sprak. Doch even later hief ze haar

Sluiten