Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXIX.

Mong had den nacht te X doorgebracht bij een manufacturier, een geloofsgenoot; want niet gisteren, maar vandaag had het eigenlijk onderzoek, dat Mong zijn „exaam" noemde, plaats. Ten huize, waar hij zijn moest, had men hem in een groote mooie kamer gelaten, waar drie heeren aan een tafel zaten. Hij had gedacht, dat ze hem terstond met geleerde vragen „uit het H. Schrift" zouden overvallen; maar daar scheen niets van te zullen komen. Ze hadden hem gevraagd naar zijn vader en moeder, broers en zusters, en hoe die 't maakten; en of zijn baas nogal een schikkelijke . man was, hoeveel hij daar verdiende en wat eigenlijk zijn werk was. Ze vroegen hem, of hij den predikant en mijnheer De Vries kende, en of hij wel eens een Bijbellezing van den laatsten had gehoord. En toen hij daarop toestemmend had geantwoord en gezegd, over welk gedeelte der H. Schrift, hadden ze hem een Bijbel gegeven, om dat op te zoeken, en dan had hij gezegd, hoe De Vries dat had „uiteen gedaan". Hij moest ook eens een „sermoen" van den predikant, 't laatste dat hij gehoord had, „uiteen doen." Daarna had men hem den brief van Paulus aan Efeze laten zoeken en er een gedeelte van voorlezen, en dan was hem naar de beteekenis van een en ander gevraagd. Toen had men hem een Protestantsch en een „Roomsch" Nieuw-Testament voorgelegd, en allerlei vragen gedaan.

Hij had gemerkt, dat ze soms moesten lachen; maar dat ze zich met geweld bedwongen. Dan scheen hij erg

Sluiten