Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

253

gekleurd te hebben, want meestal had de een of de ander daarop gezegd, dat het goed geantwoord was. Hij had steeds het gevoel gehad, alsof al die vragen hem door God zelf gedaan werden, en onder den indruk daarvan had hij immer geantwoord.

Eindelijk meende hij, dat het afgeloopen was, omdat ze waren heengegaan; doch even later kwamen ze terug en begonnen met hem over allerlei dingen te babbelen, en lieten hem een en ander vertellen van zijn colportagereisjes. En dan hadden ze soms onbedwongen gelachen.

Eindelijk had iemand hem gevraagd, of hij verkeering had. Neen. Of hij verkeering had gehad. Ook niet Of hij dan misschien iemand op 't oog had?

Toen was de naam „Bertha" over zijn lippen gekomen. Nooit had hij over haar met iemand gesproken na zijn schooljaren dan met zijn baas. Hier was hij ver, heel ver van huis. Hier waren drie bejaarde mannen, die blijkbaar zooveel belang stelden in zijn persoon en lot en — toekomst. Hier —voor 't eerst —kon hij over Bertha spreken.

En dan opende hij zijn mond en stortte hij zijn hart uit als voor zijn God, en wat de mannen hoorden was als een levend lied van smart en jubel, van jubel en smart

De mannen zaten met tranen in de oogen. En dat deed Mong goed; zoo goed, dat hij 't nooit vergat.

Met de aanstelling als Bijbelcolporteur in zijn zak trok hij den volgenden dag huiswaarts. Hij zat door het raampje van den spoorwagen naar buiten te staren. Hoe geheel anders nu dan eergisteren. Toen lag heel zijn toekomst in 't donker; nu had God gesproken en hem zijn toekomst aangewezen: voortaan zou hij aan alle creaturenin Vlaanderen het Evangelie brengen. Zijn lang gekoesterde begeerte was vervuld, zijn gedurig gebed verhoord.

Wat zouden de baas en de bazinne blijde zijn! En zijn oudersI En — Bertha? Bertha — Hij zou nu geen werkman meer zijn: veel méér dan werkman, juist als „meneere De Vries." Nu zou hij kunnen trouwen, en zij zouden

Sluiten