Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

255

Miel had Vermeule niet gezien. Dan kon daar wet iets niet in den haak zijn, meende Mong en zei:

„Miel, ventje 1 ga gij naar huis en zegge, dat ik 'nen goê exaam hebbe gedaan, en dat ik 't diploom in mijnen zak hebbe. Ik kome subiet, maar ik ga eerst willen weten, of d'r niet entwat bij den baas of de bazinne hapert. Loopt zeerei"

Miel liep al, doch Mong riep hem terug.

„Hiere! draagt dit mee, en maakt het thuis open: 't is voor u allegaar!" Nu liep Miel nog harder.

Zenuwachtig stapte Mong Vermeule's huis binnen. Hoewel 't reeds donker was geworden, had men hier nog geen licht ontstoken. De bazinne kwam in de kamerdeur en herkende niet terstond den binnenkomende.

„Ha, bazinnel bonjour! en hoe gaat het?"

Haperde er iets? En waar was de baas?

„A, 't is Mong, genavond, en hoe is 't?"

„'t Is wél, bazinnel al wél, en ik ben aangesteld!"

Dat hoorde de baas en kwam ook in de deur. Hij was in zijn hart even blij als zijn vrouw met de goede tijding. Hij gaf Mong de hand en wenschte hem geluk. „Dat den Heere 't zegen!" zei hij, en de vrouw zei ook:

Ja 't, dat den Heere 't zegen!"

Er haperde wat, dacht Mong. Hij had zich de ontvangst heel anders voorgesteld. Madam stak de lamp aan en reeds bij 't eerste licht ontdekte Mong iets betrokkens op 't gelaat der beide menschen. Beurtelings keek hij beiden aan en vroeg dan:

„Is d'r entwat, baas?"

„Bertha!" zei Vermeule; meer niets. Meer was ook niet noodig, want Mong begreep terstond alles. „Z' is gestorven?"

„Z' en kan niet meer sterven, Mong! Ze leeft nu eeuwig bij heuren Heere!"

Mong zei er niets op, vertrok zelfs geen spier. De baas hield de oogen op zijn gelaat, dat bleek werd als een

Sluiten