Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXXI.

Geen kerkklokken verkondden het nu droevig luide over de stede, dat er weer een sterveling ter laatste ruste zou gevoerd worden. Nu niet, want de doode had niet Roomsch willen begraven worden. Maar of de klokken zwegen, en 't overal stil- was, zoo stil alsof er op 't oogenbiik niet iemand begraven werd, toch scheen een zacht gefluister allen naar één plaats te lokken, of — te drijven.

Daar kwam een lijkwagen; de menschen versnelden hun gang, allen naar één punt, daar waar de ledige wagen stilhield. Even later kwamen drie volgrijtuigen aan, als drijvende in een menschenzee.

Tot om de hoeken heen der naaste zijstraten stond het vol mannen, vrouwen, kinderen, allen in spannende verwachting, allen het oog gericht naar één deur. Onophoudelijk gingen daar menschen naar binnen, deden een gang om de lijkkist heen, legden een visitekaartje op een daarvoor bestemde plaats en traden dan weer naar buiten: 't waren degenen, die een laatsten vriendenplicht aan den doode volbrachten. Dra ging er niemand meer in of uit, en plots werd het doodstil onder de, buiten wachtende, schare: men had de stem van een prediker gehoord, zacht, maar duidelijk; gedempt, maar vurig. De stem kwam van daar binnen!

't Werd stil en de dragers vingen hun werk aan. Er kwam beweging in den lijkwagen: een kist werd er in geschoven en overdekt met een zwart kleed, „den pelder", een zwart kleed met een groot kruis. Want de Protestanten

Sluiten