Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

266

't Hijgend hert, der Jacht ontkomen,

Schreeuwt niet sterker naar 't genot Van de frissche waterstroomen,

Dan mijn ziel verlangt naar Ood.

Ja, mijn ziel dorst naar den Heer;

God des levens I ach, wanneer Zal ik nadren voor Uw oogen, In Uw huis Uw Naam verhoogen?

Wie die jongeling wasl Niet naar 't graf blikte hij, maar naar den hemel: daar scheen hij iets te zien, dat

hem machtig boeide, hem trok Bij den zesden regel

van den Psalm keerde hij zich plotseling om, trad terug, bukte zich, en — beurde een meisje van den grond. Hij hield de in lompen gehulde bij de hand, trok haar mee naar waar hij zooeven stond en plaatste haar tusschen hem en Vermeule in. 't Meisje snikte deerniswekkend, zoodat haar beschermer 't niet laten kon, haar hand in de zijne te nemen.

Mong en Manda, zotte Manda, stonden naast elkander, hand in hand. Met groote moeite had zij zich door de menschenmassa heen gedrongen, om te zien, waar men Bertha bracht Maar, reeds dichtbij gekomen, had men haar willen terugduwen; dan was zij onder den voet geraakt, en Mong had haar geholpen.

Nog klonken de laatste tonen van den Psalm over de graven, toen de predikant uit den binnensten kring te voorschijn trad en op den grafheuvel ging staan. Nu pas voor 't eerst zag hij de groote schare, alle mannen met ontbloot hoofd. De ontroering die deze aanblik wekte, doortintelde al de vezels van zijn leven, en elke vezel in hem bad om hulpe van God, dat Die hem de rechte woorden mocht geven en — een krachtige, heldere stem, die al de aanwezigen kon bereiken. Doch datzelfde gebed was reeds opgestegen tot God, uit het hart van een man en een jongeling.

En — duidelijk hoorden allen, wat hij uit het Evangelie

Sluiten