Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

't kerkhof om, las de opschriften van de staande zerken of veegde de sneeuw van de liggende. Alleen Sven vond 't triest.

Maar er was nog veel meer, dat Sven triest vond. 't Was besloten, dat Sven met Paschen van school zou komen en vader helpen. Vader was bontwerker. In 't kleine huisje, dat aan den voet van den heuvel lag, rook 't altijd naar vellen van dieren, 't was een nare, muffe lucht en Sven zuchtte altijd als er in 't kleine voorhuisje weer zoo'n groot dood dier lag, zoo stil en hem met glanslooze oogen aankeek; hij kon dan later ook onmogelijk zoo opgetogen zijn als- de doffe oogen van een dood vosje vervangen waren door kunstig bewerkte stukjes glas, en soms zei Hilma wel eens: ,,Sven, wat doe je toch onaardig, vader heeft niets aan jou, je stelt niet 't minste belang in vaders werk, aan die kleine Karin hebben vader en moeder nog meer dan aan jou... je bent een onmogelijke jongen en je kunt zoo ontevreden doen, hoe komt dat, Sven?"

„Dat komt... ja, dat komt... als ik maar minder dacht".

,,Nu nog mooier", lachte Hilma, ,,je denkt juist niet genoeg na, zegt vader, op school munt je heelemaal niet uit."

Sven zei maar niet veel; ze had gelijk, zijn flinke, bazige, knappe zus... Maar hij dacht wel veel, veel te veel... 't was alleen maar, hij dacht aan andere dingen dan waaraan hij denken moest... ja, niemand had wat aan hem, hij was, wat Hilma zei, een onmogelijke jongen.

Sluiten