Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29

Snoes is een meisje, dat in een heel oude pastorie, in een heel oud dorp woont. Natuurlijk heeft ze wel een anderen naam, zelfs een heel mooien. — Wijnanda heet ze —■ maar niemand noemt haar zoo. Ieder zegt Snoes tegen haar en heeft 't gezegd van dat ze zoo'n kleine peuzel in de wieg was, af. — Waarom, wel, doodeenvoudig, omdat ze een Snoesje is en was en altijd wel zal blijven. Ze is altijd voorlijk en lacht, of heeft net gelachen, of is op 't punt van te gaan lachen, en van zulke kinderen houden de feeën, de elfen en de kabouters 't meest; als je 't nog niet wist, weet je 't nu, want ik, hun koningin, speld je niets op je mouw en wie zou er beter van hun gedachten en gevoelens op de hoogte zijn dan ik?

Al de menschen in 't dorp waar Snoes woont, houden veel van haar. Er is een arm oud vrouwtje, dat meestal te bed moet liggen en gewoonlijk pruttelig is, maar als Snoei haar komt opzoeken, probeert ze toch te glimlachen en niet brommig te zijn. En dan is er ook een stokoud, krom mannetje, dat erg doof is en meestal verdrietig is, omdat hij niet met de menschen mee kan praten; — als Snoes haar gezicht door de deur steekt, lacht dat oude mannetje, ja, ja, dan lacht hij en hij houdt zijn hand als een gehoorschelp aan zijn oor, om te probeeren wat van haar gebabbel op te vangen.

Snoes brengt ook wel eens een zakje tabak voor hem mee, maar daar ze nooit meer dan twee-en-een-halve cent tegelijk bezit, kan het natuurlijk maar een heel, heel klein zakje zijn. 't Hindert niet, oude grootvader Lambert is er zoo blij mee alsof 't een pond was — hij wrijft zich in de handen, trekt zijn gezicht in honderdduizend rimpeltjes bij zijn poging

Sluiten