Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

40

Toen bedacht ik me plotseling, dat ik geen geduld meer te verliezen had, omdat ik 't éénige geduld, dat ik ooit heb bezeten, al eens bij een vorige dergelijke gelegenheid verloren heb en 't nooit meer terug heb kunnen vinden. Toen verloor ik mijn zakdoek maar, •—* heelemaal zonder iets te verliezen ging 't nu eenmaal niet — en daarop vloog ik in vliegende haast naar Sleutelbloemenland.

De grond was er overdekt met dorre bladeren en die dorre bladeren waren overdekt met vorst en je kon je niet voorspellen, dat 't er ooit geel had gezien van de sleutelbloemen. Ik stampvoette, ja heusch, dat deed ik, want 'k begreep dat er niets van de partij zou kunnen komen als 't zoo voort moest gaan.

Terwijl ik daar zoo stond, hoorde ik een geritsel in de dorre bladeren en daar was Snoes. Ze lachte niet en had niet juist gelachen en was ook niet op het punt van te gaan lachen. Zij leek niets op Snoes, die altijd vroolijk is.

,,' Heeft alweer gevroren," zei ze met een treurig stemmetje, ,,de sleutelbloemen zullen er nooit op tijd zijn."

Ik vloog op haar arm en riep zoo hard ik maar kön: „Wees maar niet bang, ik zal 't wel op de een of andere manier klaarspelen.''

Snoes gumlachte, want zij kreeg weer hoop — ze wist natuurlijk niet dat ik haar die had ingeblazen.

„Ik zal maar niet ongerust wezen," sprak ze bij zich zelf, „ze zullen wel op tijd wezen — misschien helpen de feeën hen wel een handje."

Ze ging op haar knieën liggen en veegde de dorre bladeren met haar vingertjes weg van een plekje, waar ze een spikkeltje groen zag. Dit spikkeltje groen was het nieuwe jonge blaadje van een sleutelbloem. Ze veegde meer bladeren

Sluiten