Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44

zij werden er zoo warm bij, dat zij één wilden kreet slaakten en toen wegsmolten. Generaal Vorst incluis.

Na dien nacht verlieten wij de sleutelbloemen geen minuut meer. Zij hadden zoo'n kou geleden, dat zij nu half dood waren van den slaap. De Groene Arbeiders gingen dus onophoudelijk van den een naar den ander, klopten aan en riepen hun toe, dat zij wakker moesten worden. Zij vertelden hun van Snoes en de partij en Jaantje Wikkers, zij zongen er van, zij riepen 't hun toe zoo hard zij maar konden, zij spraken er aldoor over. Zij tikten aan hun deuren, zij klopten op hun deuren, zij bonsden tegen hun deuren.

De sleutelbloemen waren niet bepaald lui, maar de koude had ze zoo bevangen en als je ze wakker maakte, zeiden ze op een slaperigen toon: ,,ja-ja-da-de-lijk!" en — vielen meteen weer in slaap.

Dan moesten de Groene Arbeiders weer opnieuw beginnen te tikken en te kloppen en te bonseji en te roepen.

Toen ze eindelijk en ten laatste voorgoed wakker werden, bleek 't dat zij zich haast niet konden bewegen van stijfheid. Ze hadden ontzettend veel moeite om één groen blaadje door den grond te werken en als zij het eindelijk zoo ver hadden gebracht, konden ze niet meer.

Snoes kwam gedurig kijken met de kinderen van 't kasteel. ,,Wat zijn ze toch teuterig," zuchtte ze dan. „Kijk toch eens aan, ze schieten niets op."

Toen liet ik de Groene Delvers en de Groene Trekkers komen.

De Delvers brachtten hun spaden mee en maakten de aarde los aan de wortels en de Trekkers brachten hun groene koorden mee; die sloegen ze om elk groen puntje, dat ze maar boven den grond uit zagen kijken, en trokken en trok-

Sluiten