Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na geruimen tijd stond Solblomst aan den voet van een berg van ijs en sneeuw. Dat was de lichtplek, die hij in de verte gezien had. Moedig beklom hij den berg, maar halverwege kon hij niet meer. Uitgeput legde hij zich neer op een sneeuwhoop in een beschutte holte. Hij sloot de oogen en hoorde een welluidend gezang. Een slanke gestalte in een langen sneeuwmantel boog zich over hem heen en wilde hem haar doodelijken kus geven, maar getroffen door zijn schoonheid, deed zij 't niet. „Wilt ge meegaan naar mijn Poolpaleis?" fluisterde zij.

Verrast sprong Solblomst op. ,,Ja, neem mij mee." Een glanzende slede van zonderlingen vorm, bespannen met rendieren, kwam aanglijden. De Poolkoningin stapte er in en wenkte Solblomst naast haar te komen zitten. Voort ging 't door de uitgestrekte sneeuwvlakte. Zij kwamen langs gebouwen van ijs, helderder dan kristal, en toen het Noorderlicht er op scheen, veranderden zij telkens van kleur.

De slede hield stil voor een poort van massief ijs, 't was de ingang van het Poolpaleis. Solblomst trad in een hal met hoogen, doorschijnenden koepel, die met zijn .vele kleuren wel een reusachtige regenboog leek. Nu kwam hij in een ruime zaal, waar de wanden van doorschijnend ijs een verblindend licht weerkaatsten en waar zware zuilen stonden, versierd met de prachtigste ijsbloemen. Aan 't eind van de zaal was een troon, die een reuzendiamant leek, waarin het licht de heerlijkste kleuren tooverde. Hier was de bron van het Noorderlicht.

Sluiten