Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

39

luie Fisher's staan natuurlijk weer met op wacht," dacht hij, ,,'k zal toch eens gaan kijken."

Na vijf minuten loopen merkte hij, dat ze er toch wel waren, want hij zag het schijnsel van een lantaarn vlak bij den waterkant. Onopgemerkt naderde Lou, want zijn voetstappen waren onhoorbaar door het modderige land.

Vlak bij een cypresboschje zag hij een boot liggen. Twee jongens stonden er in en namen spaden en eenig gereedschap aan van een derde, die aan wal stond. Lou herkende zijn neven. Meteen hoorde hij een paar woorden, die hem deden stilstaan en luisteren.

,,—en 't water bij Miller in laten loopen."

,,'t Is toch geen kleinigheid."

„Kom, wat'hindert 't! Hij kan 't wel lijden en wij niet."

„Hei! wie is daar!" riep op eens Joe Fisher.

Lou was opgemerkt en kon zich niet meer verbergen. Hij zag drie verschrikte gezichten en meteen in 't licht van de lantaarn het nikkel van een revolver.

„O, 't is Lou maar!" zei een van zijn neven opgelucht. „Wel Lou, hoe gaat 't je?"

„Wat" gaan jullie uitvoeren?" was Lou's antwoord.

„Iets doen voor jou bestwil."

„We gaan een eind de rivier af om daar naar de dammen te kijken," zei Joe. Daarbij keek hij Lou onderzoekend aan en zei toen iets op zij af tegen zijn broer.

„Kom," zei deze, de boot losmakend, „we gaan." Met

Sluiten