Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7

niet aangehaald om het zweeten tegen te gaan. Zoo'n Eskimopakje laat den wind niet door en is lekker warm.

Wij noodigen de aanwezigen uit op banken plaats te nemen.

Te half elf wordt het schuifbaar schot dat ons van de kapel scheidt, opengemaakt, en daar vertoont zich het altaar, min of meer versierd en verlicht al naar de gelegenheid, 'n Teeken met de bel, en de bezoekers staan op en nemen 'n ernstige, eerbiedige houding aan. Soms klinkt er plotseling 'n kreet van verbazing en bewondering. Dat is dan van de nieuwelingen, die nog nooit iets dergelijks gezien hebben. Maar 'n teeken van de ingewijden of de eerste tonen van het harmonium hebben spoedig de stilte hersteld. Aller oogen gaan van het altaar naar het harmonium; de ooren zijn gespitst en de oogen opgetogen.

'n Kritiek oogenblik breekt aan als de priester met den wijwaterkwast naar hen schijnt te willen slaan, namelijk bij het Asperges me. Maar 't is gauw voorbij: er is immers maar één 'geloovige, de priester aan het harmonium, te besprenkelen. Bovendien zijn ze er spoedig aan gewoon.

Vooral de muziek bekoort deze menschen. Voortdurend moeten ze kijken naar de wonderkast, waaruit de pater zulke ongewone geluiden toovert. Toch blijft hun houding steeds behoorlijk, en trouw volgen zij de teekens tot gaan-zitten en opstaan. Blijkbaar begrijpen zij niets van de plechtigheden. De muziek houdt ze gevangen. Ze zijn daarop zóó verzot dat ze er heele dagen naar kunnen luisteren. Echter beseffen ze zeer goed, dat het niet nitsluitend 'n zangbijeenkomst is die we hun geven. Het gebeurt immers alleen 's Zondags, en wij noemen het „bidden" ! De priester aan het altaar is bovendien met 'n kleurig gewaad omhangen. En de andere pater, aan het harmonium, lacht en gekscheert niet als op de andere dagen in de week, als hij hen op 'n concert onthaalt, 't Moet dus wel iets buitengewoons zijn. Zeker spreken wij met „onze geesten", zoo denken ze.

Op de feestdagen, als we al onze versieringen, papieren guirlandes en gemaakte bloemen voor den dag halen, als we bovendien al onze lichten ontsteken en de vreugde zich afspiegelt op ons gelaat, dan moeten die arme lieden wel zéér, zéér verwonderd zijn. Ongetwijfeld denken ze dan, dat „onze geest" zich meer in onze nabijheid bevindt, of dat we 'n machtiger geest aanroepen dan gewoonlijk. We hebben ons wel 'ns bezorgd gemaakt of de Eskimo's zullen blijven komen, 'n Tijd lang telden we alleen de

Sluiten