Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

het heilige Graf! — Als ik denk aan dien tijd en dien tocht en aan wat ridder Dagobert heeft gedaan! Geen wonder dat hij in gunst staat bij den Keizer En velen hem benijden."

— „Daar komen ze!" riep Roswitha.

i Een kleine stoet werd zichtbaar in de verte, daar waar de weg om de rots boog.

Wolf stootte in den hoorn.

Het gebruikelijke sein dat de komenden voor de eerste maal te zien waren.

Hij en Roswitha tuurden, tuurden zoolang de open plek daartoe gelegenheid gaf.

— „Maar zoo langzaam! 't Gaat stapvoets," klaagde Roswitha. „Daar zal toch niets gebeurd zijn? Wat is dat op dat

paard, het derde in de rij Een gewonde?

„Hola, Hendrik!" riep zij naar beneden Wolfs zoon toe, die juist haar gezadeld paard uit den stal leidde. „Ik kom!"

Zij was opgesprongen, had haar bovenkleed opgenomen en hep de torentrap af. ^1

Wolf zag haar een oogenblik later op het binnenplein.

— „Zeg tante Gonda dat ik vader te gemoet rijd," hoorde hij haar zeggen terwijl zij zich vastgreep en opheesch aan de manen, den voet in den stijgbeugel zwenkte en in den zadel zat. Natuurlijk als een man. Roswitha versmaadde een vrouwenzadel. Toen de teugels gevierd, de poortgang door Dof hoefgeklop op de valbrug en in één ren vooruit.

— „Zij heeft Freia de vrije hand gegeven," zei Wolf toen hij haar in gestrekten galop over den weg zag voortstuiven.

„Als jonkvrouw Roswitha een paard met acht beenen kon krijgen, zou dat haar hef zijn."

In gedachten volgde hij haar. Zonderling dat de tocht zoo langzaam ging. Dat was anders ridder Dagoberts gewoonte niet. Het was duidelijk dat dit ook Wolf te denken gaf.

Sluiten