Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i6

kende het gebruik van stormram en bhjde, was menigmaal bij het oefenen van speerruiters en boogschutters en steenwerpers, en altijd met haar vader op zijn dagelijkschen rondgang in en om den burcht.

Vader en dochter waren altijd samen.

Dat was al zoo geweest weinig dagen na den dood van zijn jonge vrouw.

Altijd samen

Te veel. „Je maakt er een jongen van," was dikwijls jonkvrouw Gonda's verzuchting geweest.

Maar haar zwager had geglimlacht bij die opmerking.

— „Vrouwelijker dan onze Roswitha zal geen vrouw zijn. De toekomst zal het bewijzen.... En je gelooft zelf niet aan wat je zegt, zuster Gonda," had hij geantwoord.

Roswitha had zich naast het bed neergezet en volgde jonkvrouw Gonda's aanwijzingen.

Stil zat zij er, stil en opmerkzaam. Zonder Godelieve aan te kijken

— „Bij zieken mag dat niet. Dat maakt ze onrustig," had zij Janna meer dan eens hooren zeggen.

Dat niet aankijken viel haar zwaar. Zij had hefst niet anders gedaan; hefst droefheid en angst van dat lieve mooie gezicht weggekust.

„Ik hoop dat zij niet ziek wordt, al wil ik haar graag oppassen," peinsde zij.

Godelieve mee te paard door vlakte en veld. Met Godelieve in huis. Met haar de bosschen in!....

Alle geluiden in het groote gebouw bielden gaandeweg op. De lichte nacht drong zoel en stil door het geopende venster.

Het was Roswitha vreemd in die groote rust.

Zij herinnerde zich geen nacht waarin zij niet geslapen had.

Sluiten