Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VII.

Sedert Godeheves komst op den Valkenburcht was er veel veranderd voor Roswitha. Haar vader reed uit met Wolf of Herman, het hoofd der wacht — zonder haar; deed zijn dagelij kschen rondgang zonder haar! Om haar meer gelegenheid te geven met Godeheve te zijn? Het was haar in den beginne voorgekomen alsof dat meer was om haar vragen te vermijden.

Wanneer waren hem ooit haar vragen onwelkom geweest! Wanneer had zij geschroomd te vragen!

En toch was dit nu zoo.

Wel twintigmaal in die eerste dagen had zij tot hem willen gaan — zij wilde weten wat hem zoo bezorgd maakte en zij had het niet gedaan.

Haar vader scheen even weinig mededeelzaam als Godeheve.

Godeheve was nu ongeveer drie weken op den Valkenburcht; een stille bescheiden huisgenoot, tóch ééne die gemist zou worden als zij daar later niet meer zou zijn.

Haar stilheid was gaandeweg overgegaan in vriendelijke rustigheid, waardoor warme en hartewinnende dankbaarheid voor de haar geschonken gastvrijheid en genegenheid sprak.

Ridder Dagobert behandelde haar als eene dochter. Jonk-vrouw Gonda had haar hef gehad van het eerste oogenblik af. Zelfs Wolf, die nog altijd strak en stug deed als Godeheves naam werd genoemd, vergat strakheid en stugheid als hij haar zag.

— Naast ieder ander dan Roswitha zou Godeheve niet zoo stil schijnen," zeide jonkvrouw Gonda tot haar zwager.

Beiden merkten op en waardeerden den gunstigen invloed van Godeheve op Roswitha.

Roswitha kon Godeheve dikwijls aanstaren, onbewust dat zij het deed en verloren voor alles om haar heen.

Sluiten