Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

69

Roswitha ging mee met dat Groote, onafzienbare Verten in.

— Hoog de Keizer!" riep zij nog eens en keerde haar mandje om voor den Keizer, die opkeek en met vriendelijke buiging gravin Bernsdorff herkende, groette en dankte.

Ook haar....

Zij week achteruit, blozend en verlegen. Daarop was zij niet voorbereid.

De Keizer was al verre. De bonte schitterende stoet in eindelooze golving achter hem.

Nog ééne bloem was in haar korfje blijven hangen. Zij keerde het om, gedachteloos, den blik naar het plein aan het einde der staat waar de Keizer was aangekomen, toen zij moest neerzien....

Haar laatste bloem had een gelaat getroffen, dat nu opkeek en. haar aanstaarde, haar, en de statige vrouw aan haar zijde...

— Mijn zoon," zei deze,, „uw bloemengroet schijnt hem te bevallen. Hij kijkt nog eens om, en dankt nog eens."

— Wil hem vergeving vragen voor mijn onhandigheid," stamelde Roswitha met nog sterker blos.

Op dat oogenbhk reden Graaf Bernsdorff, zijn neef en haar vader voorbijr en groetten vroolijk»

— U schijnt veel kennissen in de stad te hebben, jonkvrouw," zeide een stem achter haar.

En het was Roswitha of daar spijt doorheen klonk.

— Bed wig vaa Hohenberg," stelde het jonge meisje zich zelve voor en op Roswitha's beweging van verrassing, „geen familie, al telt u Hohenbergers onder de uwerk"

Gravin Bernsdorff had zich omgekeerd.

— Tóch hier, Hedwig? Dat is een goed teeken." Hedwig kleurde.

Moeder is veel beter en drong er zelve op aan dat ik met vader zou meegaan," antwoordde zij. En toen tot Roswitha:

— Heden avond banket en daarna dans. Al een gelei-jonker daarvoor?"

Sluiten