Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

79

die nu eerst inzag dat zij zich versproken had en zij haakte haar mantel los.

— Godeheve, Godeheve," herhaalde Ehrenfried halfluid, „waar heb ik dien naam meer gehoord?"

— Ridder Ehrenfried. .„."

Ehrenfried voelde op eens de zwaarte van den arm die tot nog toe zoo luchtig op den zijnen had gesteund.

— Wilt u hem vergeten?.... Ook vergeten dat ik dien genoemd heb?"

Hij staarde verwonderd in haar door angst bleek geworden gelaat.

— Ik zal doen wat u verlangt."

— Op uw riddereer?"

— Op mijn riddereer."

Roswitha herademde. Zij keek hem een poos onderzoekend

aan.

— Ik dank u...."

Zij had er wat willen bijvoegen, maar begreep dat elke verontschuldiging haar begane fout nog vreemder en raadselachtiger zou doen schijnen.

Ehrenfried zweeg en zij was hem erkentelijk dat hij haar tijd gunde om zich te herstellen.

— Het was een mooie dag en een heerhjk feest," zeide hij toen zij den „Zwarten Adelaar" naderden. „Aan u dank ik daarvan het grootste deel." ^Ipl

Hij had haar arm losgelaten en leidde haar nu bij de hand de trap op. Vóór de kamer zijner tante boog hij zich en kuste haar de hand met een uitdrukking in zijn oogen die haar geruststelde.

— Hij zal Godeheve niet verraden," dacht zij. „Hij heeft Carels oogen en Carels hart."

— Moe niet, maar warm, warm!" antwoordde zij de gravin die op haar toekwam.

— Dan nu gauw ter rust. De dag van morgen zal niet

Sluiten