Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

104

— Godeheve, Godelieve," snikte zij zacht.

Zij was teruggekomen zoo vol van al het doorleefde. Godfeheve zou meeleven, mee genieten.

De Valkenburcht zonder Godeheve. Daar stond zij nu met haar hart vol verlangen.

In plaats van het vroolijke weerzien, een leege kamer, een leeg huis en in 't hart een leegte niet te dragen.

Zij wilde nu nog niemand terugzien, door niemand gezien Worden.

Stil sloop zij naar beneden, binnenplein en poortgang door, sneller en sneller, het rotspad op, langs de helling waar de donkere dennen stonden en waarachter het ruige rotspiat hoogde.

Vrije lucht en eenzaamheid daarboven. Alleen mos en braamstruiken gedijden er. Groote steenblokken lagen er opgestapeld, wild dooreen, of reuzenhanden bij een reuzenkamp ze van grooter hoogte hadden neergeslingerd en ze te pletter waren gespat op den harden grond; een eenzame wilde plek, die Roswitha hef had om zijn grootsche eenzaamheid, zijn hoogstaan boven andere; waar zij. menigmaal Godeheve had gebracht, waar zij samen hadden plannen gemaakt en gedweept, en het paard der verbeelding de wijde verten der toekomst hadden laten indraven nog veel verder dan de wijde onafzienbare verten van den hemel boven hun hoofd.

Zij zat er neer, de ellebogen op de knieën, het hoofd op de handen.

— Gemis is hard," herhaalde zij telkens.

En zij dacht hoeveel grooter Godeheves genus moest zijn. Godeheve in geheel vreemde omgeving, alleen met haar verdriet, verlangende naar haar zooals zij naar Godeheve, Godeheve die niemand had dan haar.

'En haar vader.

Want Ridder Dagobert zou zijn hand niet aftrekken van Godeheve en niet berusten bij haar heengaan! Was er geen ander hchtpunt?

Sluiten