Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

110

— Dat niet, dat niet, Godelieve Je bent nog zoo

jong En ik kan je niet missen."

Het is geen verbindende kleeding. Een proeftijd duurt

dikwijls maanden en jaren."

Maar Roswitha was niet gerustgesteld.

Beloof dat je niets zult doen zonder voorkennis van

vader, tante Gonda of mij. Bedenk hoeveel onvoorzien kan veranderen en ten goede keeren."

Ik beloof voor zoover mij dat mogelijk zal zijn."

Wij mogen de toekomst niet vooruitloopen, maar moeten vertrouwend afwachten wat daarin voor ons is weggelegd," zegt vader Hubertus. Wij menschen hebben altijd haast;

wij hollen wat ons is voorbeschikt in den blinde voorbij En

bederven daardoor zooveel.... Je voelt nog geen roeping voor

het kloosterleven, Godeheve Als dat zoo was, zou ik zwijgen.

Ik kom niet om je te bewegen mee te gaan. Daarop mag

ik niet meer aandringen na wat je gezegd hebt aan vader, die je heengaan betreurt en die voor je zal blijven zorgen en je blijven herhebben. Je werd aan zijn hoede toevertrouwd. Vader en tante Gonda hebben mij voorgehouden dat ik niet verder mocht aandringen en je strijd verzwaren. Maar ik kan wel eischen dat je mij niet zult loslaten. Ik doe het jou ook niet....

Nóóit! Ik heb nooit een zuster gehad Je bent er mij

een geworden.... De wereld is zoo heel groot En zoo

leeg nu je weg bent."

— De wereld was heel vol te Trier "

Godeheve haalde glimlachend even Roswitha's brief te voorschijn en het hem daarna weer in haar zak glijden.

— Mijn brief! O, wat had ik mij een vreugde voorgesteld om je alles te vertellen!"

Zij hadden zich neergezet op een bank, oog in oog, hand in hand. Roswitha's herinneringen kwamen los.

Godeheve luisterde en vroeg. Roswitha behoefde niet te vragen of Godeheve belang stelde in de Triersche reis.

Sluiten