Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

De tijd vloog om.

—- Ik blijf bier van nacht en ga morgen weer terug. Vader Hubertus, en Wolf en Hendrik zul-je straks zien bij het avondmaal. Ik kwam onder hun geleide. De lieve eerwaarde Moeder heeft mij een cel beloofd dicht bij de jouwe. We zullen nog veel kunnen bepraten."

— Op wien lijkt graaf Auersperg?"

— Op den Keizer!" zei Roswitha met stralende oogen.

— Dat heb ik gedacht...."

— Er is geen heilige in de kapel op wien hij gelijkt," zei Roswitha peinzend.

— Zooals Friedel Bernsdorff op mijn heiligen Joris."

— Je-kent hem!" riep Roswitha verrast.

— Vele jaren geleden was ik met vader en moeder te Frankfort aan den Main.In de herberg waar wij waren afgestapt, woonden nog meer gasten. Onder anderen Friedels ouders. Vader was gewond en de wonde wilde niet dicht. Daarom waren zij daar om een wijs en geleerd wondheeler te raadplegen. Friedel was als een kleine ridder voor zijn moeder, die opging in haar man, en soms harde dagen te verduren had, want zijn kwaal veroorzaakte hevige pijnen. Moeder en zoon leden dan onder de booze stenuning van den zieke.... Friedel was zoo hef voor zijn moeder! Vader en de gewonde bleven dikwijls na het avondmaal achter in de gelagkamer en verkortten zich den tijd met het werpspel. Dan praatten moeder en de gravin te zamen; en Friedel en ik, wij speelden in het groote vertrek, zooals wij dat overdag in stal of hof deden. Een groote blonde jongen van dertien jaar, héél groot in mijn oogen, want ik was eerst zeven en zeer verbaasd dat hij met zoo'n klein meisje wilde te doen hebben."

— Hij is blond en nog even goed en vriendelijk."

De leekezuster bracht bericht dat Roswitha's kamer gereed was en bood aan haar daarheen te brengen, wat zij aannamen. Zij had een groot pak onder den arm, en legde dat naast Roswitha

Sluiten