Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iig

Wat bij haar gul en vrij en onstuimig zich geven en meeleven met anderen onopgemerkt was gebleven, was haar voren gekomen sedert haar verbhjf te Trier. De tijd daar was haar geweest het kijken in een tooverspiegel, die haar, te zaam gedrongen en in duizelingwekkende vaart, het drijven en stoomen der onbekende buitenwereld had laten zien. Zij had daarin het hooge en groote gezocht en vastgehouden. Alles daarneven was looze schijn, waarvan zij zich met afkeer en minachting afwendde, zonder genade in haar fierheid en onervarenheid van het leven, de krachten tot goed of kwaad nog onaangevochten in haar. Alles was geheel goed of geheel kwaad in haar jonge oogen. Alleen voor het groote en hooge was het waard te leven. Het had haar begeerte nog versterkt om te worden zooals de edelsten en grootsten die zij kende.

En die gedachte beheerschte en doorstraalde haar, effende de vroegere onstuimigheid, gaf wijding van ernst aan heel haar wezen.

De eenzame wandelingen waren menigvuldiger geworden in den laaf sten tijd. Dan was zij heelemaal niet alleen. Dan leefde alles uit Trier in haar op en nam haar in beslag.

De wijde kalme natuur rondom gaf gedwee weer wat zij had gezien: straten met feestelijken optocht, den Keizer met woord en wil de wereld adelend en bezielend, troonzaal en balzaal, half verhchte kamer in den „Zwarten Adelaar" met de sprekende figuren van vader, graaf en gravin Bernsdorff en graaf Auersperg, terwijl de regen neerkletterde....

In glanzende schittering kwamen die dagen altijd weer voor haar, altijd weer even gretig opgeroepen en ingedronken, onbewust met te meer gretigheid om de schaduwen verre te houden: de ontsnapping van den gevangen ridder, de gesprekken over graaf Eberstein.

Als zij daaraan dacht, doofde de zonneschijn over de gansche wereld.

Godeheve had zij nog maar ééns na dien eersten keer kunnen bezoeken.

Sluiten