Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

121

burcht van haar vader was opgebouwd of een jong ridder haar als vrouw kwam afhalen.... Dat zou wellicht Friedel zijn, wiens goedheid Godeheve kende en had geprezen. Geen klooster voor Godeheve! Neen, een vol groot geluk van hef de en genegenheid; Godeheve met een glimlach op de lippen, iets heel moois en liefelijks, het middelpunt van een gezegend tehuis.

En zij, Roswitha, getuige van dat geluk, niet te ver van haar af....

Dichter viel de sneeuw. Roswitha schudde ze af en volgde met de oogen de vallende vlokken die telkens weer hef koozend en hcht op haar neerstreken. Een vriendelijk spel dat niet verveelde. Zij liep door het stille levende wit als ingesponnen in haar veelbelovende droomen.

Ver af toette een hoorn.

Diep door de stilte.

Thor spitste de ooren en hief den kop op.

Dat kon alleen van den Valkenburcht zijn, meende Roswitha.

Nóg eens! Wellicht bezoek? in geen weken was

dat gebeurd!

Roswitha gaf haar wandeling op en keerde om.

Het was tijd! De sneeuw dwarrelde verblindend. Grootere vlokken. Ze bleven liggen. Stil en snel dekten zij het pad, de struiken, de vooruit liggende steenen en rotsblokken, de hoogten en laagten, en de bosschen.

De lucht leek lager en lager, was niet meer te onderscheiden, één met de verte. De al sneller vallende vlossige vlokken dempten alle geluid.

Zij kwam zich zelf voor als bewegende zonder geluid. Thors pooten zonken weg in het donzige wit.

Zij stampte de sneeuw af van haar schoenen om sneller voort te komen. Maar de sneeuw pakte en pakte het volgend oogenblik weer in zwaarder klompen. De staf deed dienst.

Zij meende wel een uur geloopen te hebben, voordat zij den Valkenburcht vóór zich zag.

Sluiten