Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

217

— Niets. Alleen in hoofdtrekken was het gebeurde bekend, toen de bode hét klooster aandeed en zij hem haar brief meegaf/'

Godeheve dacht aan ridder Dagobert en Roswitha daar.

Nog geen week geleden had jonkvrouw Gonda haar geschreven — onmiddellijk na ontvangst van vader Hubertus' brief — dat Roswitha onder goed geleide was gegaan om haar vader op te zoeken, en na voorspoedige reis in het kamp was aangekomen. 'mSk

Een brief die jonkvrouw Gonda veel hoofdbrekens had gekost! en die er op berekend was Godeheve voor te bereiden op een lang wegblijven van Roswitha.

In een daarbij gevoegden brief van de abdis had jonkvrouw Hohenberg uitvoerig alles uitgelegd en verzocht dat de treurige aanleiding tot Roswitha's reis Godeheve vooreerst zou bespaard blijven.

— Ik wil naar vader. Hoe zal ik gaan, en wanneer, heve . eerwaarde moeder?" vroeg Godeheve.

De abdis wachtte een oogenblik met haar antwoord. Godeheve was onnatuurlijk kalm.

— Zoo gauw mogelijk," beloofde zij.

Godeheve bad zooveel jaren in kwellenden angst geleefd, dat haar in de eerste oogenblikken de schok en de smart der zekerheid niet veel zwaarder toeschenen te dragen.

Langzaam ging zij terug naar hare cel.

Zij maakte haar bundel voor de reis. Zelve verwonderde zij zich over de kalmte waarmede zij dat deed. Haar gedachten dwaalden niet af bij het te zamen zoeken van wat zij noodig zou hebben.

Een vreemde zonderlinge stilte was in haar.

Het einde was gekomen, te dragen zooals men draagt wat niet af te wenden is.

Sluiten