Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

220

De arm bewoog, en een hand greep haar hand, en vader Hubertus' breed en goedig gelaat boog er op neer en verdween er op voor een poos, en zij hoorde een langen, langen zucht van verlichting die meer zeide dan honderd woorden.

Roswitha's hand het los en haar blik werd al bewuster en levendiger, werd gaandeweg een vraag. }fh Hij moest wel antwoorden.

— Alles gaat goed," fluisterde hij, de woorden zoo langzaam en uitelkaar getrokken of zij uren moesten duren en omzichtig tot haar komen.

Haar vragende blik bleef meer verlangen.

„Goed met u,

en met uw vader."

De laatste woorden waren er uit eer bij het wist.

Zóóveel had hij niet willen zeggen.

Roswitha's gezicht straalde.

O, zeker, het ging goed met haar vaders bevrijding. Jodocus had uit Frankfort bericht gezonden dat Herman binnen kort in staat zou zijn om hem te volgen. Nu zijn onrust was gestild, beterden zijn wonden met den dag. Verder: dat de magistraat twee honderd ruiters onder een bekwaam aanvoerder had ter beschikking gesteld, en dat hij, Jodocus, door 's Keizers ruime gift bij zijn vertrek uit het kamp en een even ruime gift van graaf Auersperg, nu nog twee honderd voetknechten daarbij in soldij had kunnen nemen, en dat zij onmiddelhjk zouden vertrekken.

En dat Govert in zijn gevangenis een volledige bekentenis had afgelegd. .

Jodocus' krachtig optreden zoowel bij hem als bij de overheid der stad had nagewerkt. Nu het een zaak gold waarin de Keizer belang stelde, had men op den gevangene ingedrongen en Govert had begrepen dat spreken in zijn geval beter Was dan zwijgen, vooral daar zijn aandeel in ridder Dagoberts oplichting gering was, vergeleken bij dat van de onridderlijke aanleggers en uitvoerders.

Sluiten