Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

227

De voorste in de rij keek op met een glimlach, trots zijn pijnlijk gelaat, zijn omwonden hoofd en gezwachtelden arm.

— Goed dat gij komt, eerwaarde. Wellicht met andermaal bericht van mijn zwager en uw biechtkind ?"

Vader Hubertus achtte zich gelukkig voor 't eerst zooveel goeds van de laatste te kunnen melden, nu hij van den eersten niets verders wist.

Ridder Hohenberg luisterde gretig en dankbaar.

Wat verder luisterde er nog een, niet minder gretig en even dankbaar, het bleeke gezicht naar den spreker gekeerd: Ehrenfried, wiens harnas niet alleen een breuk had gekregen door een vervaarlijken houw van graaf Eberstein, een oogenbhk vóór diens overgave, maar die tevens zwaar gewond werd aan schouder en dij.

Vader Hubertus deed de ronde, van de rij af, nu niet meer in haast maar naar de behoefte van zijn warm, medehjdend hart en in het besef van zijn heilig ambt. Daar zijn gezichten die de koestering uitstralen van hun eigen hefderijk binnenste even natuurhjk als zon in zomerdag. Zijn zonneschijn wijlde bij velen na.

Een der zusters kwam op hem af.

Hij ging terug. Graai Eberstein was onder de eersten geweest die hij had toegesproken, maar zonder teeken van gehoord of verstaan te worden. Gewillig zette hij zich neer naast zijn bed en wachtte wat hem gevraagd zou worden.

— Heb u niet herkend... Biechtvader van den Valkenburcht, niet waar?" vroeg de gewonde heesch. „Niets van mijn dochter? Nog altijd in haar klooster aan den Rijn?"

En op vader Hubertus' toestemmend antwoord op dat laatste:

— Sclrrijf haar voor mij. Ze moet komen. Zoo gauw

mogehjk Vóórdat de Keizer vertrekt Niet om mij

Om haar-zelf De Keizer is boven al ridder Doe wat

ik vraag," eindigde hij met een samentrekken der zware wenk-

15 L

Sluiten