Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

228

brauwen, wat aan zijn oogen de vroeger dreigende uitdrukking

hergaf. „Gij ziet toch dat er met mij geen tijd te verhezen valt." Vader Hubertus keek hem een oogenblik aan Het was waar wat de gewonde zeide. Het was een wonder

dat hij nog leefde met zijn overal gehavend lichaam en na al

zijn bloedverhes.

— Haal-je sclmjfplank, man, en schrijf wat ik voorzeggen zal," herhaalde Eberstein ongeduldig. „Waartoe deugen anders"....

De pijn deed hem kreunen en zich wringen en het verdere ging verloren in nog heescher gemompel. Dat het niet vleiend moest zijn voor den stand waartoe vader Hubertus behoorde was dezen duidelijk.

Hij stond op om het benoodigde te vragen, toen de abdis binnenkwam.

— Zuster Agnes, die sedert eenige weken mèt ons is, heeft voor vier dagen geschreven en vermeld dat graaf Eberstein onder de gewonden en onze gast is," zeide zij geruststellend.

Maar dat was graaf Eberstein niet genoeg.

— Zonder bevel van mij, haar vader, komt zij niet, eerwaarde moeder," stootte hij uit tusschen vlagen van pijn. „Godeheve is schuw. Zij zal niet komen."

Vader Hubertus nam de schrij fplank op de knieën en schreef wat de ander langzaam en met moeite maar kort en zakelijk vóörzeide.

— En nu nog een bode," ging Eberstein voort toen de brief geschreven was. „Een onbetaald e," voegde hij er bitter bij. „Tenzij dat iemand hier mij de aalmoes van een goudgulden voor bodenloon wil schenken."

Vader Hubertus schoof onrustig op zijn schabel. Zijn tasch was geen goudgulden rijk en zonder zou geen bode zoo snel voor den verren tocht gevonden worden.

Zijn blik viel op Ehrenfried, rood van inspanning om zijn aandacht te trekken.

Sluiten