Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXI.

Roswitha zat voor 't eerst op den volgenden morgen, gesteund door kussens, nog wat duizelig, maar met elke minuut beter, naar zij zuster Benedicta verzekerde.

— Nu ben ik sterk en kan weer doen wat ik te doen heb," zeide zij met al de beslistheid en veerkracht van vroeger.

Vader Hubertus' woorden hadden haar gisteren rust gegeven en voldaan. Zij deden dat niet meer. Zij vond ze nu vaag en onvoldoende, en verlangde met ongeduld naar zijn volgend bezoek.

— Jonkvrouw Roswitha ziet er uit of zij graag de straat en de wereld zou willen inloopen," was hierop zuster Benedicta's opmerking. „HersteUenden hebben dikwijls hun kans op spoedig herstel verspeeld door te vroeg en te veel van hun herwonnen krachten te vergen."

Zij was bhj die zelfde waarschuwing ook aan den geestelijke te hebben ingescherpt.

Vader Hubertus scheen nog zeer onder den indruk van die vermaning toen zij hem een oogenblik later op zijn zacht kloppen binnenliet.

Zijn bezoek zou kort zijn: dat had hij zich voorgenomen. Dan kón er niet te veel gevraagd of geantwoord worden. En hij zou alvast beginnen met haar geest zoetjes aan terug te brengen van den te verren sprong gisteren gemaakt na zijn goed gemeende woorden. Hij zou vandaag spreken over haar vaders bevrijding, die op zoo goeden gang was."

— Vertel nu alles van vader, heve vader Hubertus," riep Roswitha hem toe. „Ik zit op en ben beter en wil naar hem toe."

— Daarbij hebben Meester Antonius en de Keizer ook een woordje mee te praten....".

Vader Hubertus was vergenoegd over dien gelukkigen inval.

Sluiten