Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vrouw Joost, de welgedane poortersvrouw die Roswitha huisvesting verleende, keek uit onder beschutting van den luifel voor haar deur, — want het regende nog altijd — of graaf Bernsdorff aankwam, en tevens hoeveel geburen zich wel aan deur of venster vertoonden om dat aankomen en toestappen op haar woning mede aan te zien — en te benijden.

Haar huis was sedert acht dagen het huis van de stad geworden. Men sprak er niet langer over den geleverden slag, maar over de bezoekers van vrouw Joostens huis. Louter groote heeren en graven.

Zoodra zij graaf Bernsdorff in 't gezicht kreeg, zette zij zich in postuur om zijn hoofdbuiging met sierlijke neiging te beantwoorden en hem in gepaste bewoordingen tot binnenkomen uit te noodigen.

— De jonkvrouw van den Valkenburcht zat op en zou zijn Edelheid graag even ontvangen. Als de heer graaf haar wilde volgen...."

Graaf Bernsdorff wierp haastig kap en mantel af, die vrouw Joost met bewonderenswaardige handigheid opving.

— Dat is een uitnoodiging waarop ik nog niet had durven hopen," zeide hij en trad met zoo bhjde verrassing op het gelaat Roswitha's kamer binnen, dat zij niet alleen ter begroeting de hand naar hem uitstrekte maar ook het nog wat bleeke gezichtje tot hem ophief voor zijn vaderlijken kus.

— Lieve vriend van vader," riep zij, al haar warme dankbaarheid en blijdschap in die woorden.

En daarna zaten zij een poos zwijgend naast elkaar als twee oude kameraden die elkaar zooveel te zeggen hebben dat zij niet weten waarmede te beginnen.

De oude ridder was meer ontroerd dan hij toonen wilde.

Hij had Roswitha niet meer gezien na de feesten van iTrier. Het rijke levendige zonnekind van zijn vriend! Zij had verloren — en gewonnen. Aan levendigheid verloren, hij merkte het in

Sluiten