Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

236

De eerste rit viel zoo goed uit dat graaf Bernsdorff er geen bezwaar in zag den tweeden wat verder uit te strekken.

— Wij gaan naar uw oom, in de richting van Gundelsheim, zoo dat u wèl is."

Het weer was gunstig en het rijden in de koele stille lucht een verkwikking voor Roswitha.

Zij stemde vroohjk daarin toe. Het vooruitzicht oom Hohenberg te zien verhoogde het genot van den tocht.

Onder aan dén berg sloeg graaf Bernsdorff den koristen weg naar Gundelsheim in, het kamp rechts latende en zoo het slagveld vermijdende. Toch lag het niet in zijn bedoeling haar nu langer te verbergen wat er was voorgevallen. Beter dat zij door hem hoorde, dan op onverwachte wijze of ongeschikten tijd door anderen.

Hij hield zijn paard in waar de weg het dal inboog waardoor de Neckar — nu in wintervolheid — bruiste en hep in lustige vaart tusschen zijn enge oevers, om haar op de vlakte te wijzen.

De afstand was juist groot genoeg om het slagveld te overzien, zonder bijzonderheden te onderscheiden.

— Daar werd veel beslist," zeide hij langzaam, „de Keizer was overwinnaar."

Freia stond stil. Roswitha had onwillekeurig de teugels aangetrokken. De slag die verwacht werd! Al wat uitgewischt was leefde op. Haar vader had al haar denken ingenomen. Buiten vader Hubertus en graaf Bernsdorff had zij niemand gezien, buiten Auersperg niemand gehoord in de wijde stilte die om haar was geweest.

En zij had nog niemand gemist.

Zij staarde hem aan, spanning van angst in de vragende oogen.

— Daar werd veel beslist," herhaalde graaf Bernsdorff. „De opstand gebroken. Prins Hendrik gevangen."

— En graaf Eberstein?"

Sluiten