Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

247

— Wij zijn er, jonkvrouw Roswitha.... Er wacht u een zeer eenvoudige rustplaats in de kleine „groene kamer," die wij voor u hebben gereed gemaakt. Ik hoop dat u die gauw betrekken zult."

Hij keek haar bezorgd en ontroerd aan.

Het was beide alsof er maanden lagen in plaats van dagen tusschen dien avond in het kamp en het weerzien van heden.

Zij nam de teugels die hij haar in de hand gaf. De boomen stonden nu wijder uit elkaar. Een open plek tusschen het hout lag vóór hen.

Daar, op gekruiste palen, veel gespannen linnen: het kamp, zooals Auersperg het straks had genoemd; of juister een der vele kampementen rondom den Reichenstein; een kamp van een gehalte als dat vóór Wimpffen. Aan sierlijkheid was niet gedacht, alleen aan een zeer bescheiden mate van gemak. Het meerendeel der lagè tenten was opengeslagen en men zag de mannen die er zich hadden uitgestrekt of neergezet, vermoedehjk in afwachting van hun middagmaal, dat verderop onder een afdak van takken en dennengroen werd bereid. De grond was vol kuilen en plassen. Niemand op het plein dan de weinigen die er te doen hadden.

— Het verblijf voor u en de jonkvrouw ligt wat verder," zeide Auersperg tot graaf Bernsdorff.

Hij greep Freia andermaal bij den teugel, stak het plein over en ging hem en vader Hubertus voor. Weer onder dennen. Daarachter, op een vijftigtal schreden, rees de rots, steil en hoog, boven de donkere kruinen.

Op korten afstand een diepe grot waaruit hun de lauwe lucht van paarden te gemoet kwam. Weer wat verder een kleinere in tweeën verdeeld, waarvoor Auersperg stil hield.

Roswitha behoefde niet te vragen welk gedeelte voor haar was bestemd. Van het eene gingen de wanden schuil onder geurig dennengroen. Een bank van mos en zoden, een tafel van

ruw getimmerd hout De grond was met dennennaalden

bedekt.

Sluiten