Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

248

— Daar zullen wij het goed hebben, mijn jonkvrouw en en ik," riep graaf Bernsdorff opgewekt.

Het volgend oogenblik stond Roswitha in de „groene kamer" tusschen hem en Auersperg.

Het weinige dat gedaan kon worden is te weinig," zeide de laatste.

— Meer dan ik hoopte of verwachtte," viel Roswitha levendig in.

— Gegroet, jonge woüdlconingin! Ik zag u rijden, hoog ten ros op uw witte paard, de groene valleien door. Uw blauw kleed glansde tegen de witte huid van uw Freia, de moedige en sterke," zeide een stem uit het duister der grot.

Jodocus sprong op uit zijn bukkende houding, nog een slinger van groen in de hand en boog met zwier voor de aangekomene.

— Jodocus!" riepen tegelijk Roswitha en vader Hubertus, terwijl graaf Bernsdorff hem met een glimlach begroette.

— Dezelfde," antwoordde de nar, „alleen wat ouder in ervaring en bekwaamheid, daar hij bij zijn ambt als Keizerlijk hofnar nu ook dat van krijgsman, wondheeler en kamerversierder voegt."

— Ik wil allereerst in hem den trouwen vriend gedenken en danken," zeide Roswitha en stak hem de hand toe.

Dat was het sein voor vader Hubertus om ook naar voren te komen. De kleine gestalte van Jodocus verdween letterlijk een oogenblik in de wijd gemouwde armen van den geestehjke.

Een gemompel een geraas door de stilte rondom....

Een speerknecht kwam aanloopen, het zweet op het gelaat.

— Een uitval," hijgde hij.

— Bhjf hier achter, eerwaarde. Ga niet uit de grot. Verlaat in geen geval de jonkvrouw," gebood Auersperg.

Hij duwde den geestehjke terug naast Roswitha. Graaf Bernsdorff stond al buiten. Zij ijlden weg.

Sluiten