Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

249

Het bosch scheen te leven, de grond dreunde van rennende voeten.

Zeven speerknechten kwamen en stelden zich op vóór de grot.

— Van den drup in den regen," zuchtte vader Hubertus. Dat was ook waar in andere beteekenis.

De grauwe lucht die al lang gedreigd had, ontlastte zich in piassenden regen.

Roswitha gaf geen acht op zijn verzuchting.

Zij zat op de mosbank, de handen gevouwen in den schoot, het hoofd wat voorover, starend naar buiten, luisterend.

De regen hield aan. De wind stak op. De dennen zwiepten heen en weer en hun open schuivende naalden en takken krasten en kreunden; het woud rondom gonsde daarbij den ondertoon. Il|I|f!

Bij dat geweld van wind, regen en woud viel niets verder te onderscheiden.

Vader Hubertus bracht er Roswitha eindehjk toe de grot dieper in te gaan. Zij moest wat rust nemen na den langen tocht, het was daar warmer. Daarbij kwamen de opgestelde posten beurtelings een oogenblik schuilen voor den regen.

Het eene uur verliep na het andere....

Vader Hubertus en Jodocus praatten halfluid.

Natuurhjk over de belegering en de kans van slagen.

De belegerden zouden het niet lang meer uithouden, niet door gebrek aan voedsel of manschappen, „maar door de omstandigheden, die alle tegen hen waren," meende Jodocus. Zij wisten daarvan genoeg. Al waren zij omsingeld, afgesloten van de buitenwereld waren zij niet. Door een sluipgang konden zij boden uitzenden en binnenlaten.

— Waar die gang uitkomt, is nog niet bekend, maar Govert weet dat hij er moet zijn," vertelde Jodocus verder. „Bijna dagelijks trekt men ten onderzoek uit zonder te vinden. Niet om den belegerden dat uitzenden en binnenlaten te beletten. Laten zij

Sluiten