Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

289

Godelieve had begrepen vóór Ehrenfried.

Met een snik was zij op de knieën voor het bed gezonken.

Hij had den dood gezocht om haar! Zij zou niet de dochter van een terechtgestelde zijn!

Graaf Eberhard had het verband van zijn wonden afgerukt. Ehrenfried had zuster Agnes en de abdis geroepen, zéér geschokt. Godelieve alleen.... Slachtoffer van haar vaders eerzucht.

Hij zou haar ridder zijn, steun van Roswitha's vriendin, zoolang totdat ridder Dagobert haar tot zich zou nemen.

Twee dagen later woonde hij het wederzien van Roswitha en Godeheve bij.

Een eerste dag van voorjaarsluister had Godelieve den tuin van het klooster doen ingaan en Ehrenfried was haar gevolgd.

— Beiden spraken over Roswitha. Ehrenfried werd niet moede om te vragen, Godeheve niet om te antwoorden. Roswitha en de Valkenburcht was het dagehjksch onderwerp van hun gedachten, een gemeenschappelijk belang nooit uitgeput.

Zij waren elkaar noodig geworden. Beiden voelden zich eenzaam. Zij zochten elkaar, en beiden wisten waarom: om hun vriendschap voor Roswitha.

Zoo was hun samenzijn zeer natuurlijk en ongedwongen, een omgang als tusschen broeder en zuster.

Bijna zooals in hun kinderjaren te Frankfort, dacht Godeheve dikwijls met weemoed. Den tijd dat zij nog haar moeder had gehad!

Toch was er verschil. Ehrenfried was niet langer de oudere en wijzere. Dat was veelmeer Godeheve.

Menigmaal had Ehrenfried zich afgevraagd wat wel dat tè stille en tè ernstige in haar in blijmoediger levendiger uitdrukking zou doen overgaan.

Menigmaal had hij zich betrapt op den wensch, den v u r i g e n wensch die zachte diepe oogen te zien oplichten in

Roswitha. * Zo

Sluiten