Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

292

Den volgenden dag ging het terug naar den Valkenburcht.

Ridder Dagobert op den prachtigen Arabier, geschenk van den Keizer, uit 's Keizers eigen stallen en gekweekt uit een van zijn lievelingsmerrièn: Albörak „de glanzende," hem indertijd vereerd door Sultan Alkamü. Albörak de jongere droeg zijn naam met niet minder recht dan zijn voorname stammoeder. Freia naast hem strekte den hals en repte de beenen om hem bij te houden. Godelieve, op een paard reeds voor het verlaten van het Gundelsheimer klooster door Ehi^fried met bizondere zorg voor haar uitgekozen, daar naast.

Herman, recht en stram in den zadel, weer als ridder Dagoberts wapendrager.

Vader Hubertus zou nakomen om geen belemmering te zijn bij hun snel voortrijden. Hij wilde zijn trouw muildier niet achterlaten en tegen een paard verwisselen.

Twee dagen vóór hun afreize had ridder Dagobert een renbode naar den Valkenburcht afgezonden om Gonda voor te bereiden op hun terugkomst

Ehrenfried en Auersperg reden mee tot aan de eerste halte en namen er nog deel aan den gemeenschappelijken maaitijd.

— Tot weerziens. Wie weet Later op den Valkenburcht"

noodigde ridder Dagobert, gul en warm bij het opstijgen. Een uitnoodiging die met schitterende oogen werd aangehoord en aangenomen.

Auersperg had Roswitha, Ehrenfried Godelieve in den zadel geholpen.

Daarna in tegenovergestelde richtingen uiteen.... In den beginne zéér langzaam.

Het scheiden van vrienden valt zwaarl Allen waren onder den indruk, de vier jonge heden bovenal.

Zeven dagen later, op ongeveer een halve dagreize van den Valkenburcht, deed Roswitha onverwacht Freia vooruitstuiven.

Jonkvrouw Gonda — Wolf en Hendrik achter haar — draafden hun tegemoet!....

Sluiten