Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI

VOORBERICHT.

Onnauwkeurigheden der dictaten waren door vergelijking met de aanteekeningen van den hoogleeraar zelf en met de bronnen, waarnaar deze verwees, meest gemakkelijk te herstellen.

Had Fruin zelf zijn aanteekeningen voor den druk gereed gemaakt, hij zou ze natuurlijk op veel punten hebben herzien; zij dateeren van 1860 en kort daarna, en zijn wel gedeeltelijk door hem zelf verbeterd, maar voor ons doel niet stelselmatig genoeg. Een enkele maal vond ik in de dictaten, het meest in mijn eigen dat het jongste is, de sporen van een veranderde voorstelling bij Fruin, waarmede hij de aanteekeningen, die hij voor zich had, niet in overeenstemming had gebracht. Hij heeft niet meer veranderd dan het allernoodigste, dat is te zeggen, als men zijn doel in aanmerking neemt, niet zeer veel. Echter blijft het thans even waar als in 1860, dat er over het onderwerp geen goed boek bij ons bestaat. Ik ben hier en daar van Fruin's aanteekeningen afgeweken, doch nooit wanneer ik niet de stellige overtuiging had, dat hij evenzoo zou hebben gehandeld.

De literatuuropgaven zijn uit Fruin's aanteekeningen op elke paragraaf door mij te zamen gelezen en bijeengevoegd; literatuur verschenen na de nederlegging van Fruin's professoraat, en zoodanige waarvan ik mij bediend heb om verbeteringen aan te brengen, is aan den voet der bladzijden aangehaald.

Van de bijlagen op dit werk komt de eerste, in veel later schrift dan dat van 1860, achter Fruin's aanteekeningen voor; zij is, blijkens een bijgevoegde noot van den hoogleeraar en blijkens dé opteekening door Dr. R. C. Boer, in den cursus 1883—'84 door Fruin medegedeeld. Op één punt heb ik haar aangevuld. Blijkens het handschrift moet Fruin voornemens zijn geweest (doch de opteekening van Dr. Boer doet vermoeden dat hij het voornemen niet vervuld heeft), ook over de „preliminaire pointen" van 1646 te spreken. Of hij zich daartoe alleen van gedrukte bronnen zou hebben bediend, blijkt niet en durf ik niet beslissen. Daar echter alle geschiedschrijvers die er van spreken deze punten onjuist opgeven, heb ik gemeend een goed werk te doen met de juiste toedracht der zaak, uit de geschreven resolutiën opgespoord, in het licht te stellen. Vanzelf bracht mij dit tot een eigen onderzoek naar de pogingen tot resumptie der Unie in 1607 en 1619. Ik meende dat ik de uitkomst nergens beter dan aan het slot der eerste bijlage op dit werk mededeelen kon.

Sluiten