Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10

DE STAAT mN KAKEL V.

gezegd. Uit de verbinding van beneficium en vassaliteit ontstaat de leenverhouding (feodaliteit). Dikwijls ontvangt eenzelfde leenman goederen uit verschillende gouwen in leen, of erft ze, want spoedig wordt het regel dat de leenen overgaan bij versterf. Om zijn gebied af te ronden, zoekt hij nu ook de stukken te verkrijgen die tusschen zijn verschillende goederen overblijven. Zoo beginnen een aantal beneficiën één geheel te vormen, het gouwverband wordt verbroken en in de plaats van de gouw treedt het samenstel van beneficiën, kern van den lateren leen-of feodalen staat.

Oorspronkelijk had elke gouw haar koninklijk ambtenaar, den gouwgraaf (judex, comes, soms marchio (markgraaf, markies), als de gouw een grensgebied uitmaakt), met politieke en rechterlijke bevoegdheid: bevel over de gewapende bevolking, wanneer de koning den heerban gebiedt; — voorzitterschap van het gouwgericht, het ding, bestaande uit door hem gekozen welgeboren mannen • — voltrekking der daar gevelde vonnissen; — innen van tollen en boeten voor den koning. Het goed van sommige grooten, kloosters of kapittelkerken echter wordt aan de politie en rechtsmacht van den gouwgraaf onttrokken; het wordt een immuniteit. „Geen graaf zal er toegang hebben om recht te spreken of boete te innen", luidt de formule in de schenkingsbrieven (ut nullus

judex publicus aut loca autagros ad causas audiendas

vel freda exigenda... ingredi audeat. — Heda p. 53). De immuniteit geeft aanleiding tot het erfelijk bezit van politie en rechtsmacht door een ander dan den graaf; de geëximeerde is „heer" (dominus) van het gebied waarover hij die macht uitoefent. Is immuniteit verleend aan het goed van een klooster of kerk, dan moet daarover een „voogd" (advocatus) worden aangesteld; slaagt deze er in zijn ambt erfelijk te maken, dan gaat de advocatie in heerlijkheid over: zoo is uit de voogdij der abdij van Egmond de gelijknamige heerlijkheid ontstaan.

Reeds vroeg is grafelijke waardigheid zelf het erfehjkbezit geworden van een machtig heer, die verschillende goederen in de oude gouw onder zich heeft, en verandert daarmede geheel van karakter. Deze „landsheeren" blijven den ouden ambtstitel voeren van graaf of markgraaf, en oefenen de oude grafelijke politie en rechtsmacht uit over de vrije bewoners die binnen hun gebied, voor zoover dit niet door verdere inununiteitsverleening doorbroken raakt, overblijven. Bij de toenemende verzwakking van het

Sluiten