Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OORSPRONG VAN DEN STAAT.

11

koninklijk gezag na Karei den Groote gaan zij bovendien nog rechten uitoefenen, die zich de koning vroeger had voorbehouden (regalia). Zoo ging het in Holland, in Gelderland en ongeveer zoo overal; in het bisdom Utrecht niet anders. De bisschoppelijke kerk van Utrecht had groot grondbezit, de eenige rijkdom van dien tijd, die haar door de vrijgevigheid van geloovige erflaters en door de staatkunde der Duitsche koningen, die de bisschoppen, omdat zij geen dynastieën konden stichten, ten koste der wereldlijke heeren bevoordeelden, rijkelijk toevloeide; bovendien verleenden deDuitsche koningen aan dehoofden der kerk van Utrecht buiten de immuniteiten, welke aan alle bisschoppelijke en kloostergoederen werden toegekend, grafelijke rechten in de gouwen waar dit grondbezit voornamelijk gelegen was.

Een ander oud ambtenaar is de hertog (dux), oorspronkelijk door den koning in eenig deel van zijn rijk aan het hoofd van een leger geplaatst. In het Oostfrankische rijk, waar het verschil tusschen de oude hoofdstammen zeer groot was gebleven, komen spoedig na Karei den Groote stamhertogen voor van Saksen, Franken, Beieren en Zwaben. Zij traden, elk in zijn gebied, als vertegenwoordiger des konings op, geboden er 's konings heerban en voerden dezen aan, hadden de veiligheid van wegen en rivieren te handhaven, riepen de graven binnen hun hertogdom ter verantwoording, en waren, tenzij onder een krachtig en door eigen bezittingen machtig vorst, zoo goed als koning in hun gebied. Het eerst tusschen West- en Oostfrancië in gelaten rijk van Lotharius ging grootendeels aan Oostfrancië over, en een der inheemsche gravengeslachten, in de Hespengouw (Hasbanië, in het Luiksche tegen den linkeroever der Maas) gevestigd, wist zich in den aanvang der 10de eeuw ook hier van den hertogelijken titel meester te maken. Echter vestigde zich de hertogelijke macht in Lotharingen nimmer zoo volkomen als in de stamhertogdommen in het eigenlijke Oostfrancië. In 959 werd het hertogdom in tweeën gesplitst: Opper-Lotharingen dat het Moezelland omvatte, en waarvan een deel tot op heden den ouden naam behouden heeft, en NederLotharingen, van Sedan aan de Maas en Andernach aan den Rijn tot aan zee. In Neder-Lotharingen werd Godfried uit het gravengeslacht der Ardennen met de hertogelijke waardigheid beleend, maar het gebied vormde ethnographisch en geographisch te weinig een geheel, dan dat er een werkelijk oppergezag over kon staande

BBHfl

Sluiten